|
|

|
Nieuws |
|
Wet Deelgeschillen
De afwikkeling van een letselschade komt veelal tot stand na onderhandelingen met de verzekeraar van de aansprakelijke partij. In sommige gevallen bereiken partijen echter geen volledige overeenstemming, alsdan is een procedure aan de orde. Tot voor kort besliste de rechter in zulke gevallen over de gehele afwikkeling van de geleden schade, ook de aspecten betrekkelijk tot welke wel reeds overeenstemming was bereikt werden vaak opnieuw onderwerp van discussie.
Omdat een procedure als hiervoren omschreven veel tijd en kosten met zich brengt, wordt hiervan door de benadeelde – met name door (het risico op) hoge kosten – vaak afgezien. En dat terwijl de discussie zich veelal tot één aspect beperkt.
Mede om die reden is op 1 juli 2010 de Wet Deelgeschillen in werking getreden. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt het geschilpunt op welk de onderhandelingen spaak lopen afzonderlijk ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. De rechtbank neemt dan een beslissing over het hem voorgelegde verschil van mening, met als doel dat partijen de onderhandelingen kunnen voortzetten.
Zowel de benadeelde als de aansprakelijke partij (veelal diens verzekeraar) kan een deelgeschil aan de rechtbank voorleggen. Daarnaast kunnen ook derden (bijvoorbeeld nabestaanden) welke stellen shockschade of de zogenoemde verplaatste schade te hebben geleden aan de rechtbank een beslissing omtrent een meningsverschil in de afwikkeling van hun schade verzoeken.
Een deelgeschillenprocedure wordt gekenmerkt door eenvoud en snelheid. Het betreft een verzoekschriftprocedure, welke na een verzoekschrift en een verweerschrift direct ter zitting behandeld wordt. Na de behandeling ter zitting neemt de rechtbank een beslissing, tegen welke geen hoger beroep openstaat. De beslissing van de rechtbank is derhalve van grote invloed op het verdere verloop van de zaak, het betreffende aspect zal niet langer onderwerp van onderhandeling zijn.
Niet alle meningsverschillen zijn geschikt voor een deelgeschillenprocedure. Het door de wet geformuleerde criterium in dat kader luidt:
‘(…) een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen terzake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering (…)’
Gelet op de aard van de deelgeschillenprocedure, waarbij voorop staat dat een beperkt geschilaspect eenvoudig en snel wordt afgewikkeld, zullen hoofdvragen (waaronder de belangrijke vraag of er sprake is van aansprakelijkheid) meestal niet geschikt zijn als deelgeschil. Uitsluitend indien deze vraag zeer concreet aan de rechter kan worden voorgelegd, kan deze in de vorm van een deelgeschillenprocedure worden beslist. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin partijen het bij een verkeersongeval erover eens zijn dat in een uitritsituatie aansprakelijkheid aanwezig is, doch van mening verschillen over al dan zijn van een uitrit van de straat waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Dan kan de rechtbank de concrete vraag of de betreffende straat een uitrit is beantwoorden, waarna partijen verder kunnen onderhandelen. Vaak zal dit echter niet voorkomen en zullen deelgeschillen zich beperken tot zaken waarin aansprakelijkheid tussen partijen vaststaat en afwikkeling van de schade aan de orde is.
Voorbeelden van deelgeschillen zijn de vraag of en in hoeverre er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde, de vraag of en in hoeverre de benadeelde een schadebeperkingsplicht heeft en of en in hoeverre hij of zij daaraan voldaan heeft. Ook de hoogte van de afzonderlijke schadeposten kan als deelgeschil aan de rechter worden voorgelegd, waarbij opnieuw een concrete vraag aan de orde moet zijn. Zo kan de rechtbank bijvoorbeeld oordelen over de eindleeftijd bij arbeidsvermogensverlies (leeftijd waarop de benadeelde in een gezonde toestand zou stoppen met werken), de behoefte aan hulp in de huishouding en de kosten van deze hulp, de mate van beperking in zelfredzaamheid en dergelijke. Ook de BGK (buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand) zal onderwerp van deelgeschil kunnen zijn, de rechtbank beoordeelt dan welke door de rechtsbijstandsverlener gemaakte kosten door de verzekeraar moeten worden vergoed.
Van belang is dan ook dat het een concrete vraag betreft, waarvan de beantwoording bijdraagt aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Na de beoordeling van de rechtbank moeten partijen hun onderhandelingen als het ware kunnen afronden, zeker waar de beoordeling door de rechtbank een afzonderlijke schadepost betreft.
De rechtbank zal voorts geen beslissing nemen indien de wet andere mogelijkheden biedt om het geschil op te lossen, zoals een getuigenverhoor of een deskundigenbericht.
De kosten van een deelgeschillenprocedure worden aangemerkt als buitengerechtelijke kosten en zullen in de meeste gevallen door de aansprakelijke partij dienen te worden vergoed, ook bij verlies aan de zijde van de benadeelde. De reden daarvan is de laagdrempeligheid van de procedure, het doel van de wet Deelgeschillen is immers dat de langdurige, kostbare bodemprocedure steeds minder vaak gevoerd gaat worden en partijen na een rechterlijke beslissing in hun deelgeschil verder gaan onderhandelen en buiten rechte tot een vaststellingovereenkomst kunnen komen.
|
